Totalitaire ratio, part deux
Lezer en vriend Alexander van Hattem reageerde op mijn eerdere uitwijding over ‘totalitaire ratio’ waarin ik betoogde dat vooruitgang op het gebied van natuurwetenschappen heeft geleid tot een technocratisch denken in politiek en menswetenschappen. Van Hattem had waarschijnlijk wel een beetje gelijk toen hij mij kritiseerde over het hoge abstracte filosofische gehalte van het artikeltje: “Om de rede te redden danwel te hervinden is het eerst zaak om deze overdenking van een hoog filosofisch abstractieniveau terug te brengen naar de alledaagse werkelijkheid”, aldus Van Hattem. Zelf verwees hij vervolgens naar de introductie en huidige crisis van de euro als het ging om technocratisch gedrag van onze politieke elite; laat ik een duit in het zakje doen door een ander megalomaan Europees project te behandelen: het Europees privaatrecht.
In 1989 en in 1994 heeft het Europees parlement de academische juridische gemeenschap opgeroepen haar expertise in te brengen voor het maken van een Europees Privaatrecht. Waar parlementen historisch gezien een check vormden op de bestuurlijke macht – en daaraan inherent dus wetgevende macht op basis van volksvertegenwoordiging usurpeerden – heeft het Europees Parlement dus reeds twee keer eerder het initiatief voor het creeëren van wetgeving uit handen gegeven.
Aan de oproep van het Europees Parlement is uiteraard gehoor gegeven door de academische Europese juristerij. De Study Group on a European Civil Code en de Acquis Group hebben inmiddels een Draft Common Frame of Reference (DCFR) opgesteld. Een indrukwekkend academisch project, zoveel is zeker. Vooralsnog optioneel recht begrijp ik, al vraag ik me als jurist met privaatrechtelijke focus af of het DCFR ergens daadwerkelijk wordt gebruikt. Het is een typisch geval Professorenrecht wat de opstellers van de DCFR ook hebben beklemtoond. Maar het stuk is evenzeer bedoeld als inspiratiebron voor Europese wetgevers om uit te putten. Inspraak is dus beperkt gebleven tot een zeer kleine minderheid van de Europeanen waarvoor het nieuwe model van privaatrecht is bedoeld.
Professor Jan Smits van de Universiteit Tilburg betoogt echter dat traditionele democratische legitimering niet langer nodig is. Veel wetgeving heeft immers dat karakter niet meer aangezien internationale wet- en regelgeving vaak traditionele democratische nationale wetgeving overruled. Kort door de bocht: de wereld is veranderd en legitimering van wetgeving gebeurd langs andere wegen. Een van die wegen is wat Smits ‘jurisdictional competition’ noemt; een soort concurrentie onder wetten. Is de wet niet naar de wens van gebruikers dan zal zij irrelevant worden, hetgeen ook zou gelden voor de DCFR.
De stellingen van Smits komen me echter te steriel over. Impliciete aanname lijkt te zijn dat de opstellers van de DCFR in een soort wetenschappelijk vacuüm werken en het resultaat van hun werk een geheel objectieve vaststelling is van juridische natuurwetten. Newton was echter geen jurist maar fysicus. Recht, zoals alle menswetenschappen, is niet simpelweg te benaderen op wijzen zoals in de natuurwetenschappen succesvol zijn gebleken. In de humaniora telt de kwalitatieve vraag, het waarom, in tegenstelling tot de natuurwetenschappelijke kwantitatieve vraagn, het hoe. Ook de gebruikers van de DCFR opereren niet in een vacuüm en het privaatrecht raakt ook aan vraagstukken over sociale rechtvaardigheid. Essentiële keuzes zijn derhalve gemaakt door de opstellers van de DCFR welke vooraf onderwerp van publiek debat hadden moeten zijn. Daarmee is het DCFR hoe dan ook een vrij technocratisch stuk geworden, ook al gaan volksvertegenwoordigers er nog zo mee bij hun achterban leuren.
De DCFR is feitelijk top-down opgesteld. De top wordt hier echter niet gepresenteerd door staatshoofden of leiders van multinationals maar door een internationaal gezelschap van academen daartoe uitnodigd door de al zo technocratische Europese Unie. De idee dat één Europese interne markt en monitaire unie kan bestaan tezamen met nationale soevereine staten blijkt derhalve wederom een illusie. Economische machtsvorming is niet los te zien van allerlei andere facetten van het leven en dus van politiek; een enkel economische unie is dan ook illusoir.
Het enige alternatief dat ik zie ik bottom-up. Dat vereist meer dan democratische legitimering van machtshebbers of van beleidsvoorstellen, daar hierboven wel blijkt dat zulks onvoldoende is. Er wordt immers gescheiden wat bij elkaar hoort – de kosmos is gebroken. Het menselijk leven laat zich nu eenmaal niet sturen als een natuurwetenschappelijk experiment.




Het initiatief voor wetgeving zie je ook bij het bestuursrecht steeds meer verschuiven van volksvertegenwoordiging richting technocratische deskundigen. Zo worden voornamelijk de standaard VNG-modellen gebruikt voor APV’s en Bouwverordeningen. Ook hier is geen bottom-up benadering, geen initiatief van de gemeenteraad. Zo’n DCFR lijkt me – weliswaar op een ander niveau en rechtsgebied – vergelijkbaar met een VNG-model.
Interessant is de vraag of een enkel economische unie denkbaar is. Indien de redenering wordt gevolgd dat economie en politiek onlosmakelijk met elkaar verweven zijn, zal inderdaad ook altijd sprake zijn van een politieke component. Maar al te vaak schermen politici met het argument dat een bepaalde maatregel enorm belangrijk zou zijn voor de economie, of dat een maatregel de economie enorm zou kunnen schaden. Toch denk ik dat een economische unie zonder een politieke unie onder bepaalde voorwaarden wel haalbaar is.
Om te beginnen moet alles helder en strak gedefinieerd worden. “Het belang van de economie” is te vaag. Toen Fortuyn voorstelde uit het Schengen-verdrag te stappen, werd hij verketterd omdat dat de economie teveel zou schaden. Maar tegelijkertijd zou men dan ook de vraag moeten stellen of volledig open grenzen met een ongecontroleerde toestroom van veelal kansarme vreemdelingen niet veel schadelijker is voor de economie. Een rekensom die de regering nog steeds niet wil maken, zoals bleek bij de vragen van de PVV over de kosten van immigratie.
Dan is het nog niet duidelijk of er sprake is van het belang van de economie op macroniveau of op microniveau. De lokale economie in de grensstreek kan juist veel voordeel genieten van een gesloten grens en prijsverschillen tussen buurlanden. Zo’n 50 jaar geleden verdienden velen in de grensstreek een goeie boterham aan het smokkelen naar België. Weliswaar niet legaal – maar het lokale welvaartspeil steeg er flink van! Een internationaal transportbedrijf zal echter meer belang hebben bij open grenzen. Wel tegenstrijdig is dat in dit ‘vrije’ Europa opeens wel weer een Autobahnvignet nodig is voor wie door Oostenrijk wil rijden, of ‘s winters in Duitsland verplicht met winterbanden moet rijden. Tel daar de plannen voor de kilometerheffing bij op en de veelgeprezen eenheid in de EU valt vies tegen.
Voor een enkel economische unie zal dus voor de definitie van economie gekozen moeten worden voor een nadere beschrijving van aspecten. Concrete afspraken over handel, verkeer, etc. Een monetaire unie is en blijft in deze vorm te verstrekkend. De euro moest op een gegeven moment wel in de problemen komen in een stelsel waarin alle lidstaten een eigen financieel beleid voeren en een eigen staatsbank behouden. De dollar daarentegen leunt op één federaal financieel beleid en één federale bank. Wanneer Californië bankroet gaat valt de dollar nog niet om, wanneer Griekenland failliet gaat worden alle lidstaten meegesleurd met deze zwakste schakel. Als landen zich niet aan de begrotingsafspraken houden is uit de eurozone stappen dan de enige oplossing.
Desondanks moet het mogelijk zijn om zonder monetaire unie wel economisch samen te kunnen werken. In de middeleeuwen was dit al mogelijk in de vorm van het Hanzeverbond, wat ook geen politieke unie was. Met een bottom-up benadering en een democratisch initiatief zou een economisch verbond denkbaar zijn.
Naar mijn idee is een economische unie niet mogelijk zonder politieke en democratische legitimering. Het opleggen van maatregelen is immers een onderwerp van politiek. Daarom is een veel sterke mandaat nodig aan de EC, waaronder het direct uitvoeren van controles in de lidstaten van de euro op de begroting en verantwoording. Ook het percentage van 3% tekort is in dat opzicht ridicuul. Het nodigt uit naar het zoeken van grenzen. Als de EU en de EMU verstandig is wordt een voorbeeld genomen aan de VS: centralisatie van macht, een groot mandaat en een strak begrotingsbeleid voor de federale staten. Wat niet als voorbeeld moet worden genomen is dat de tekorten van de federale staten worden verschoven naar de centrale overheid.
Daarnaast zorgt verdere eenwording van rechtssystemen voor een makkerlijker wijze van zaken doen. De culturele aspecten in bijvoorbeeld het DCFR zijn beperkt. De gemiddelde marktkoopman weet echt niet wanneer onderhandelingen precies mogen worden afgebroken, etc.
Alexander: de aard van de DCFR lijkt me totaal anders dan VNG-modellen daar het eigenlijk concept-wetgeving i.t.t. model-wetgeving betreft.
Koen: het doet me deugt dat ook Eurofielen tot de bezoekers van mijn blog horen. Zoals het een echte technocraat betaamt, trivaliseer je volk en cultuur. Een tegenvoorbeeld volstaat: de gemiddelde marktkoopman kan zich wel degelijk veel voorstellen bij de juridische doctrine van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid; welke meteen een mooi voorbeeld is van verstrekkende culturele aspecten van civiel recht (vraag maar eens aan een Amerikaanse zakenpartner naar zijn invulling van redelijkheid en billijkheid!).