Revolutionairen behoeven geen casus belli
Als minister-president Balkenende zou aftreden vanwege de Nederlandse politieke steun aan de Irakoorlog van 2003 zou Frits Bolkestein dat een goede zaak vinden. Er was geen ‘casus belli’ en derhalve geen reden voor ‘bellum’. In weerwil van sommige commentatoren meen ik echter dat Bolkestein daarin gelijk heeft.
In een vraaggesprek met Radio 1 op 16 februari 2010 gaf Bolkestein aan de Irakoorlog een “onbezonnen aanval” te vinden die “op lucht gebaseerd” bleek. Bolkestein had zelf in voorbereiding voor een debat overleg gehad met de Militaire Inlichtingendienst in 2002 over de inval in Irak. In dat gesprek zou Bolkestein hebben vernomen dat van vermeende banden tussen het regime van Saddam Hussein en Al-Qaida, van vermeende nucleaire wapens en van vermeende Iraakse dreiging jegens buurlanden geen sprake zou en kon zijn. Er was derhalve geen ‘casus belli’ (Latijns voor oorzaak van de oorlog) en dus geen noodzaak tot militair ingrijpen.
De opmerkingen van Bolkestein schijnen bij HP/De Tijd-columnist Dirk van Baar bij het verkeerde keelgat te zijn geschoten. “Dolkestein” noemt Van Baar hem op de ene website, een “linksback” op de andere website. Van Baar ziet het als politiek gedraai zonder helaas op de kern van de zaak in te gaan: had een oorlog zonder geldige oorzaak wel gevoerd mogen worden?
Volgens Michael van der Galien van De Digitale Standaard en Poligazette is Bolkestein de weg kwijt. Van der Galien herhaalt daarbij vooral alle motieven voor de oorlog zoals die destijds door de regering Bush zijn aangevoerd, hoewel de meerderheid daarvan inmiddels onjuist is gebleken. Rest het immer aangehaalde punt dat Saddam Hussein een onderdrukkende dictator was die zijn onderdanen geregeld over de kling joeg. Terecht punt natuurlijk. Des te pijnlijker blijft de prangende vraag: is het wel genoeg voor oorlog?
Westerse zendingsdrang blijft onverminderd groot, ook in het huidige seculiere tijdsgewricht. Het leed van al die andere wereldbewoners noopt ons tot actie. Het leed van de gemiddelde Irakees dat ons via televisie en internet bereikt is immers voor veel Westerlingen bijna tastbaarder dan dat van de buurman die hij niet kent. Niet militair ingrijpen bij een regime als dat van Saddam is dan ook een teken van hardvochtigheid en inhumaniteit; een troef die uitgerekend door rechtsere politici en opiniemakers wordt uitgespeeld tegen de meer linkse tegenstanders van de Irakoorlog.
Dat ‘links’ hypocriet is over de Irakoorlog beaam ik maar al te graag. Dat bijvoorbeeld Kosovo zonder juist mandaat van de Verenigde Naties werd gebombardeerd was immers geen probleem voor links. Maar dat is hier geen punt van discussie. Waar het mij om gaat is dat een militaire aanval op een ander land uit oogpunt van enkel humanitaire overwegingen geen rechtvaardige oorlog kan zijn; en dat is niet omdat ik de mensen in Irak geen vrede en voorspoed toewens.
De rechtvaardige oorlog
Kerkvader Aurelius Augustinus meende in de vroege middeleeuwen dat rechtvaardige oorlogen aan twee voorwaarden moesten voldoen: ‘ius ad bellum’ en ‘ius in bello’ hetgeen betekent recht tot oorlog en recht in oorlog. Oorlog moet derhalve volgens Augustinus een rechtvaardige doelstelling hebben en vervolgens dient de ten strijde trekkende partij zich ook gedurende de oorlog rechtvaardig te gedragen. De Nederlandse rechtsgeleerde Hugo de Groot (‘Grotius’) zou veel later het begrip rechtvaardige oorlog van zijn Augustijnse en dus theologische context ontdoen en rechtvaardiging zoeken in het natuurrecht; daarmee de weg verbreidend voor modern oorlogsrecht zoals dat bijvoorbeeld is vastgelegd in de Geneefse conventies.
Het concept van de rechtvaardige oorlog van Augustinus kristalliseerde zich later in de Middeleeuwen uit tot de concepten van ridderlijkheid en de godsvrede. Met het laatste is de rol van de kerk als bron van macht en autoriteit naast die van de staat (voor zover iets vergelijkbaars met de moderne staat destijds bestond) aangegeven, hetgeen beteugeling van oorlog (ius in bello) makkelijker maakte. Natuurlijk, de rol van de kerk was veelal meer een sollen dan een sein, meer een ideaal dan een werkelijkheid, maar niettemin kon het oorlogen kanaliseren.
Het middeleeuwse ideaal van ridderlijkheid wordt veelal wat lacherig weggezet maar was niettemin een serieus onderdeel van de middeleeuwse cultuur. Romans zoals Chanson de Roland staan bol van de idealen waaraan een goede ridder diende te voldoen. Natuurlijk waren er de nodige roofridders maar het ophouden van het ridderlijk ideaal waarbij de kerk als beschermer van de zwakkeren optrad geeft wel aan dat er een verwachtingspatroon was; een verwachtingspatroon dat heden ten dage ontbreekt.
In de moderne tijd zijn ridderlijke idealen echter achterhaald en wordt de rol van de kerk zoveel mogelijk gemarginaliseerd. In een tijd van natiestaten, individualisme en rationalisme passen voornoemde middeleeuwse constructies niet meer. Daar rest enkel het verdrag, de wet en het contract. De Verenigde Naties (VN) belichamen een dergelijke rationele orde van soevereine natiestaten op basis van verdragen. Een invloedrijk orgaan op de omgang met oorlog zoals de kerk dat was tijdens de middeleeuwen is de VN dus niet (ondanks haar pleitbezorgers) omdat ze het simpelweg niet kán zijn.
Richard M. Weaver zag overigens dat internationaal recht niet toereikend was om de effecten van oorlog te matigen. In zijn essay ‘Up from liberalism’ stelt Weaver al in 1958: “The law is in such instances upholding an idea similair to that of chivalry, inasmuch as it takes the position that no one – not even an “enemy of society” – can be denied rights entirely. In modern international warfare, however, the idea of a binding agreement such as this is being abandoned rapidly”. Met waterboarding, geheime CIA-vluchten, Guatanamo-Bay én – niet te vergeten – pleidooien van Geert Wilders om eenzelfde soort wetgeving en praktijken in Nederland te maken, in ons achterhoofd kunnen we stellen dat Weaver gelijk had.
Utopisch-revolutionair karakter van de Irakoorlog
Nemen wij nu de ius ad bellum van veel voorstanders van de Irakoorlog dan rest niet langer de dreiging die uitging van Saddam’s Ba’ath-regime maar enkel de genadeloze en bloedige onderdrukking van het Iraakse volk. Dat is inderdaad – zoals het cliché wil – “met de kennis van nu” maar de discussie of de vrees voor Iraakse dreiging terecht was wil ik hier laten rusten. Als we de enige resterende rechtvaardiging voor de Irakoorlog wegen, is de oorlog dan nog rechtvaardig?
In het verlangen om de Irakezen te bevrijden van hun onderdrukkers schuilt het verlangen naar wereldvrede. Opmerkelijk is namelijk dat er vanuit humanitair oogpunt geen acute reden voor de aanval; er was geen acute escalatie van de onderdrukking die onmiddelijk ingrijpen rechtvaardigde. Als Irak op basis van niet-acute humanitaire overwegingen bevrijd moest worden dan is er geen reden hetzelfde lot landen als Iran, Somalië, Noord-Korea en Venezuala te onthouden. Ook die gebieden kunnen wat dat betreft een herstel van orde en veiligheid gebruiken.
Zo bezien krijgt de humanitaire Irakoorlog een utopisch-revolutionair karakter. Wereldvrede is immers een zeer mooi ideaal maar ook een zeer onbereikbaar ideaal. De eerder aangehaalde Augustinus zei daarover in de Stad van God: “Iedereen die dat grote goed in deze tijd en hier op aarde verwacht gebruik zijn verstand onverstandig. (…) Het leven van de mensen is nu eenmaal zo wisselvallig dat er nog nimmer aan één volk een zo volstrekte veiligheid is gegund, dat het voor aanvallen die zijn aardse bestaan bedreigden niet hoefde te vrezen”. Hoewel de Schrift de vrede weliswaar vermeldt bevindt die vrede zich in de eeuwigheid, aldus Augustinus.
Een oorlog op humanitaire gronden zoals de Irakoorlog is derhalve een oorlog met een onhaalbare doelstelling. Een oorlog met een onhaalbare doelstelling is een eindeloze oorlog en derhalve een oorlog die niet begrensd of beperkt wordt. Een onbegrensde of onbeperkte oorlog kan nimmer rechtvaardig zijn daar recht en vrijheid juist tot bloei komen door beheersing en beperking; recht en vrijheid verdorren door grenzeloosheid en bandeloosheid.
Des te opmerkelijker is dan de kritiek van dezelfde liberalen en conservatieven op instituten als de VN. De John Bolton’s van deze wereld hebben gelijk als ze in de VN een veelal overbodig orgaan zien waarbij – om met Bolton’s woorden te spreken – als de bovenste tien verdiepingen van het Secretariaatsgebouw van de VN zouden verdwijnen het geen verschil zou maken. Maar waarom dan toch dezelfde doelen nastreven langs min of meer unilaterale weg? Het is immers dezelfde denktrant, hetzelfde systeem, alleen met meer of minder consensus onder de betrokken partijen omtrent het eindresultaat.
Naast de voorliefde van vele Nederlandse rechtse opiniemakers voor de Verenigde Staten van Amerika (“the only remaning superpower”) meen ik dat er nog een ander motief aan te wijzen is: het rechtse discours in ons land kent sinds de aanslagen van 9/11 sterke Jacobinistische trekken.
Jakobinisme en de verspreiding van de revolutie
Tijdens de Franse Revolutie grepen de Jakobijnen de macht in Frankrijk waar zij onder leiding van Maximilien Robespierre een ware terreur over het land uitoefenden. Tekenend voor het radicalisme van de Jakobijnen was de overvloedige toepassing van de guilliotine waardoor ook koning Lodewijk XVI het leven liet, confiscatie van kerkgoederen en het verbieden van het christendom en – even bizar als radicaal – het instellen van een nieuwe kalender met zogenoemde ‘revolutionaire maanden’. De Jakobijnen waren wellicht bloeddorstiger dan de andere kinderen van de Verlichting en de revolutie maar niettemin consequent. Als volgelingen van Jean-Jacques Rousseau die meende dat “de mens overal vrij wordt geboren, maar overal leeft hij geketend”. De oude wereld - de ketenen- moest worden vernietigd om plaats te maken voor een nieuwe orde. En aan Frankrijk was de schone taak om deze revolutie te verspreiden naar de omliggende landen, die zich vanzelfsprekend bedreigd voelden.
Hoewel de heerschappij van de Jakobijnen van relatief korte duur was en uiteindelijk ook Robespiere zonder hoofd eindigde had de geestelijke erfenis van de Jakobijnen niettemin een grote impact. Communisten als Trotski en Lenin waren schatplichtig aan de Jakobijnen. Het internationale aspect in zowel de Jakobijnse als de communistische revolutie is daarbij opmerkelijk.
Maar het Jakobinisme in Westerse politiek is geenzins ter ziele gegaan met de introductie van perestrojka en glasnost. Het idee dat vrijheid en democratie universeel verspeid moeten worden vormt zelfs het hart van Westers buitenlands beleid. Bush heeft herhaaldelijk opgeroepen tot verspreiding van “freedom and democracy” (alsof die termen hetzelfde betekenen of dezelfde uitwerking hebben, maar dat terzijde) en in het rechtse discours in Nederland vonden die oproepen een gewillig gehoord.
Zodoende valt een pro-Amerikaanse en een anti-islamitische houding maar al te vaak samen. Niet omdat zij onvermijdelijk samen moeten gaan maar omdat de strijd tegen de islam vergezeld gaat van een streven om vrijheid en democratie te verspreiden. Op het moment dat Bin Laden’s Al-Qaida de Twin Towers ineen deed zakken zochten Westerse machten onder leiding van de Verenigde Staten van Amerika geen vergelding of verdediging – hetgeen het meest begrijpelijk en rechtvaardig was – maar pakten zij een inmiddels eeuwenoud revolutionair verlangen op waar de Irakoorlog ook het resultaat van was.
Conclusie en de gerechtvaardigde opstand
Zoals ik laat doorschemeren zijn verdediging en vergelding geen onrechtvaardige doelstellingen voor een oorlog, daar zij gewoon beperkt in omvang en effect kunnen zijn en tevens beheersbaar kunnen blijven. Dat had ons antwoord moeten zijn op de Bin Laden’s en Saddam Hussein’s van deze wereld. En mét een casus belli, ook al menen de revolutionairen onder ons dat we die in onze seculiere zendingsdrang niet nodig hebben.
En wat betreft al die onderdrukten die door een dergelijk “isiolanistisch” beleid in de kou staan? Ik meen dat ook daar de lessen van het Oude Westen meer uitkomst bieden dan die van het Nieuwe Westen. Het Latijnse woord voor Koning zoals dat tijdens de middeleeuwen werd gehanteerd was ‘rex’. In etymologische zin gaat men ervan uit dat dit is afgeleid van ‘rectitudo’: rechtvaardigheid. De koning belichaamt dus rechtvaardigheid. Een onrechtvaardige koning was derhalve altijd een contradictio in terminis, en kon dus worden afgezet. Met die boodschap wens ik af te sluiten en tevens de demonstranten in Teheran voorspoed toe te wensen. Het recht staat aan jullie zijde.



