Constitutioneel patriottisme: een rechtse illusie
Hoe de problematiek van islam en massa-immigratie te lijf gaan? Bart Jan Spruyt roept op tot een “constitutioneel patriottisme”. Wat dat is, blijft vaag. Zulks is inherent aan de oplossing omdat een weerbare cultuur niet vanuit Den Haag kan worden opgelegd. Triest is het wel: het maakbaarheidsdenken is ook aan de rechterkant van het politieke spectrum binnengeslopen.
Sinds Fortuyn het Binnenhof bestormde, is cultuurbehoud op de politieke agenda gezet. Opiniemakers en politici gaan voor ‘rechts’ door wanneer zij pleidooien houden voor de verankering van de joods-christelijke cultuur in de grondwet (Wilders), voor de mono-culturele rechtstaat (Ellian), een teleologische benadering van het staatsrecht (Cliteur), integratie door artikel 23 van de grondwet af te schaffen (Verdonk), gedragsregels wettelijk verankeren in een ‘NederlandCode’ (Pastors), kiezen tussen Allah of de grondwet (Hirsi Ali) of het overschatten van de culturele invloed van de grondwetswijziging door Thorbecke (nagenoeg de hele VVD). ‘Rechts’ is bijna synoniem geworden voor de codificatie van cultuur.
Ook het boegbeeld van behoudender rechts lijkt nu om: “Juist de christelijke partijen moeten duidelijk maken dat de constitutie, waar ik het over had, niet alleen dat dunne boekje is, maar ook de instituties die de democratische rechtstaat belichamen. En dat ons culturele fundament gevormd is in een eeuwenoude christelijke traditie. Constitutioneel patriottisme is hier op zijn plaats”, aldus Spruyt in een interview voor CV/Koers over de islam. En in zijn wekelijkse column in Elsevier van 11 april 2009: “Laten we oproepen tot een constitutioneel patriottisme, vandaag en morgen en net zo lang tot de problemen zijn opgelost. Dat betekent dat we onze kernwaarden – onze rechten en vrijheden – glashelder uitdragen en ondubbelzinnige instemming vragen, zonder misbruik van die rechten en vrijheden en zonder dubbele agenda te tolereren”.
Mijn probleem met al deze bovengenoemde voorbeelden is dat er de pretentie in schuilt dat de politiek voorafgaat aan cultuur; alsof politici en ambtenaren in Den Haag cultuur kunnen maken met het recht als hun instrument. Nu kan ik dat bijvoorbeeld mevrouw Verdonk niet kwalijk nemen, zij weet niet beter. Maar Spruyt wel.
“Constrained” en “unconstrained”
In zijn boek ‘A Conflict of Visions’ merkt Thomas Sowell een tweedeling in de politiek op. Enerzijds is er een “constrained vision” welke uitgaat van een feilbare mens met zeer beperkte vermogens om de samenleving te veranderen. Anderzijds is er de “unconstrained vision” wat uitgaat van de goedheid van de mens en een groot aantal mogelijkheden de samenleving naar zijn hand te zetten. Collega-blogger Mark Bogaers schrijft daarover: “De beperkte visie, zoals Sowell haar beschrijft, stoelt op klassieke en christelijke fundamenten. De onbeperkte visie op Plato en de Verlichting. De eerste vond haar weg naar de éénentwintigste eeuw via Aristoteles, Thomas van Aquino, Augustinus, Calvijn, Adam Smith, Edmund Burke en Leo Strauss. De laatste via John Locke, Jean Jacques Rousseau, Karl Marx en praktisch de gehele westerse academie vanaf het midden van de twintigste eeuw”. In andere woorden: conservatief versus progressief.
Zijn conservatieve kijk op het verleden illustreerde Spruyt onlangs nog in een boekbespreking over de tocht van de Duitse keizer Hendrik IV naar Canossa alwaar paus Gregorius VII verbleef. Gregorius VII vergaf de Duitse keizer zijn eerdere poging om de paus te dwingen af te treden en maakte een eerder afgeroepen excommunicatie ongedaan. Dit was “Europa’s eerste revolutie” aldus Spruyt waarbij hij de mooie sneer uitdeelde: “de scheiding van kerk en staat heet in onze dagen een verworvenheid van de Verlichting, geclaimd door liberalen en ander onchristelijk volk”. So far, so good.
Maar als het om de toekomst gaat lijkt Spruyt met zijn constitutioneel patriottisme voor een “unconstrained vision” te kiezen. Onze constitutie is immers een abstract en vaag begrip, een verzameling schrijfsels, instituten en rituelen. Rituelen waaraan bovendien geen normaal mens deelneemt, enkel een handjevol beroepspolitici. Daar valt geen heil van te verwachten, dunkt mij zo. Door in die constitutie zijn heil te zoeken, getuigt Spruyt van eenzelfde optimistische, abstracte luchtfietserij als vele van zijn progressieve evenknieën als het gaat om de toekomst van ons land. Vanwaar deze tegenstelling, “constrained” als het gaat om het verleden, “unconstrained” richting de toekomst?
Amerika en het sociaal contract
Wellicht moet het antwoord op mijn laatste vraag worden gezocht in Spruyt’s speciale band met de Verenigde Staten. In columns steekt hij zijn sympathie voor het land niet onder stoelen of banken en geeft hij aan er veel tijd door te brengen en vrienden te hebben – met name in de conservatieve politieke kringen aldaar. Menig citaat van Spruyt is afkomstig van Amerikaanse denkers en de naoorlogse conservatieve beweging in de Verenigde Staten behoort tot een van de prominente onderwerpen uit zijn repertoire.
Decennialang werkten conservatieve Republikeinen aan de verovering van het hoogste politieke ambt in de Verenigde Staten. Aan deze overwinning van Ronald Reagan in de strijd om het presidentschap ging een lange geschiedenis vooraf van conservatieve denktanks, tijdschriften en politici waarbij het definitieve startschot lijkt te zijn gegeven door Barry Goldwater’s nominatie voor het presidentsambt. Maar hoewel deze historie een bron van inspiratie kan zijn voor Nederlandse conservatieven, begaan zij een grote fout door ook op inhoudelijk gebied leentjebuur te spelen. Dat laatste lijkt Spruyt echter wel te doen. De Verenigde Staten zijn een uitloper van de Westerse beschaving en hun ideeën en opvattingen zijn dan ook niet te projecteren op onze samenleving en problemen.
De hedendaagse Verenigde Staten waren ooit een nog onbeschreven blad, een tabula rasa. Een plek waar naar hartenlust geëxperimenteerd kon worden met ideeën uit de – vroege – Verlichting. Waar Verlichtingsdenkers en hun kompanen op het Europese vasteland vooral social fabric vernietigden, werd er aan de andere zijde van de Atlantische Oceaan het social fabric van een nieuwe samenleving op de principes van deze moderne ideeën geënt. Zoals Alexis de Tocqueville het in zijn ‘Democracy in America’ verwoordde: “say rather that this country is reaping the fruits of the democratic revolution which we are undergoing, without having had the revolution itself”. Niet zelden werden de nieuwe Amerikaanse gemeenschappen vormgegeven, niet door revolutie maar met behulp van een sociaal contract, een contract waarin de grondslagen voor de betreffende gemeenschap werden vastgelegd.
De idee van een sociaal contract, gepropagandeerd door denkers als Hobbes, Locke en Rousseau, gaat uit van een ver verleden waarin mensen met elkaar uit eigenbelang een contract sloten aan de hand waarvan zij hun samenleving inrichtten. Maar die historie is een fictie en behoort tot het rijk der fabelen. Jared Diamond stelt daarover in zijn bestseller ‘Paarden, zwaarden en ziektekiemen’: “Maar waarneming en historisch feitenmateriaal hebben geen enkel geval kunnen ontdekken van een staat die gevormd is in die etherische atmosfeer van koele vooruitziendheid. Kleinere eenheden doen niet vrijwillig afstand van hun soevereiniteit en versmelten niet vrijwillig tot grotere eenheden. Dat doen ze alleen als ze veroverd worden of onder druk van buitenaf”. Nu zou ik het leven aan de frontier in de zeventiende en achttiende eeuw in Noord-Amerika niet willen omschrijven als een “etherische atmosfeer van koele vooruitziendheid”, maar toch, daar is de meest serieuze poging ondernomen om een samenleving aan de hand van een sociaal contract op te bouwen.
Zoiets kon ook alleen in het onontgonnen terrein dat de naam Noord-Amerika droeg. Voor de kolonisten was het immers het land van enkel toekomst, een verleden had het nog niet. Deze ontworteling werd echter gecompenseerd door het optimisme dat het geloof in een maakbare samenleving – en daarmee het sociaal contract – met zich meebracht. Het heeft geresulteerd in de bloei van een immens succesvol land – volgens sommigen zelfs een imperium, het pax Americana.
Door haar unieke geschiedenis zijn de Verenigde Staten wellicht begerenswaardig maar evenzeer ongrijpbaar. Uiteindelijk is ook het Amerikaanse conservatisme wezenlijk anders dan Europees conservatisme.
In plaats van ideeën te importeren die niet aansluiten op onze eigen geschiedenis en tradities is het dan ook wijzer te kijken naar wat onze eigen geschiedenis ons kan leren. Zoals collega-blogger Erik van Goor het recentelijk stelde: “Het onvermogen, het gebrek zich voort te zetten, geeft het conservatisme in ons land iets steriels. Dit steriele karakter komt eveneens tot uiting in het exotische karakter van wat conservatieven ‘conservatief’ vinden. Veel schrijvers, boeken en ideeën komen uit Engeland of Amerika. Weinig tot geen ingrediënten uit Europa. En evenmin uit Nederland of Vlaanderen. Conservatisme in Nederland komt altijd van ver. En het komt van bovenaf. Conservatisme heeft hier weinig met volkscultuur, vaderlandse geschiedenis, kerk en tradities te maken, maar veel met klassieke werken, ‘hoge cultuur’ en onthechte politieke analyses”.
Patria en natiestaat
‘Patriottisme’ als begrip verraadt de mate van abstractie die in het rechtse discours is geslopen. Het moderne begrip ‘patriottisme’ hangt namelijk nauw samen met de natiestaat en het nationalisme, beide betrekkelijk recente begrippen in de geschiedenis. Verschillende historici, onder wie Eric Hobsbawn in zijn ‘Nations and Nationalism since 1780′, wijzen op het Jacobinisme als bron van het nationalisme, een uitvloeisel van het idee van volkssoevereiniteit. Het is dan ook de ironie van de geschiedenis dat verschillende zichzelf als ‘rechts’ en ‘conservatief’ noemende lieden in feite met hun retoriek lippendienst bewijzen aan de Jacobijnen.
Het nationalisme als Verplichtingsdenken pur sang wordt temeer geïllustreerd door de oorsprong van het woord ‘natie’, welke is afgeleid van het Latijnse ‘natum’, hetgeen zoveel betekent als ‘geboren worden’. Haaks daarop staat echter het oude Latijnse begrip ‘patria’ wat verwijst naar ‘het land der (voor)vaderen’. Het gaat bij ‘patria’ dus niet om een door eenheidsstreven gecentraliseerde staat met bijbehorende gekunstelde identiteit maar om een veel beperkter en concreter gebied en dito identiteit.
Niet het zwaaien met de nationale driekleur maar het spreken van lokaal dialect is dus in de klassieke zin van het woord patriottisme te noemen en in dat opzicht is het met patriottisme in Nederland droef gesteld. De van oudsher financiële en militaire dominantie van Holland in de Nederlanden is tegenwoordig verworden tot Hollands chauvinisme waarin iedereen en iedereen buiten de Randstad provinciaals en dus achterlijk is. Als het om de staatsinrichting van dit land gaat – diezelfde staatsinrichting welke volgens Spruyt doorslaggevend moet zijn in de omgang met nieuwe minderheden – gaat het hier ook om volledig Hollandocentrische aangelegenheden. Dat is natuurlijk enerzijds historisch bepaald en daarmee domweg een feitelijk gegeven. Anderzijds is door centralisatie sinds de tijd van de Bataafse Republiek alles buiten Holland in constitutioneel opzicht een nietszeggende periferie geworden, een aanhangsel dat zich naar het centrum schikt en dient te schikken.
Historische vrijheid en autonomie
Hoe anders zag Nederland eruit na haar vrijheidsstrijd tegen de Spaanse tiran. De Republiek was een zeer losjes bijeen gehouden confederatie welke haar fundamenten vond in de Unie van Utrecht, door Huizinga nog gekarakteriseerd als respectievelijk “een zonderling gewrocht” en een “samenstel van gebreken”. Niet bepaald de hedendaagse solide constitutie waarmee Spruyt nu wil dat wij ons op de borst slaan.
Het onderscheid tussen de Nederlandse vrijheidsstrijd en de Franse revolutie is mijn inziens hier van cruciaal belang. Een eerder door de Vlaamse conservatief en professor Matthias Storme aangehaald citaat in zijn Guldensporenrede van Hendrik Brugmans drukt dit verschil beter uit dan ik onder woorden kan brengen: “Het wordt steeds duidelijker dat er in Europa twee tradities bestaan, die zich allebei op de democratie beroepen, maar in hun denken, zo goed als in hun praktijk, diametraal tegenover elkaar staan. Laten we ze noemen; die van 1580 en die van 1793, de Nederlandse en de Franse revolutie. De eerste wortelde in Middeleeuwse vrijheden, de tweede dweepte met De Vrijheid”.
Op het scharnierpunt tussen Middeleeuwen en de Moderne Tijd kozen de Nederlanders voor hun stadsrechten, hun privileges en autonome Gewesten, kortom voor hun vrijheden, in een Europa temidden van absoluut heersers en tirannieke vorsten. In hun strijd tegen Filips II lanceerden de Nederlanden zich de Gouden Eeuw in – een tijd waarin de Nederlanden ongeëvenaarde hoogtepunten bereikten op economisch, wetenschappelijk, architectonisch en artistiek gebied – en daarmee tevens de wereldgeschiedenis.
Pas na de Vrede van Münster tekende zich de stabielere grenzen af van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Toen was de Gouden Eeuw echter alweer bijna op haar retour. Aan diverse onderscheidende karakteristieken van de Republiek, zoals de grote gewestelijke autonomie, kwam met de Franse inval in 1794 en de stichting van de Bataafse Republiek in 1795 definitief een einde. De Eerste Franse Republiek deelde de vruchten van haar ontstaansrevolutie met alle liefde met de rest van Europa en steunde de Nederlandse Patriotten in hun strijd met de Orangisten maar al te graag. De naïeve Patriotten meenden met hun nieuw uitgeroepen Bataafse Republiek het aanzien van Nederland te hebben hersteld maar degradeerde haar tot vazalstaat van de Franse Republiek welke op haar beurt op het punt stond te degenereren tot Napoleontisch keizerrijk. Tot overmaat van ramp verloren tijdens deze omwentelingen de federalistische Patriotten het van de unitaristen, daarmee de weg effent voor de gecentraliseerde eenheidsstaat welke sindsdien in ons politieke en staatkundige denken hoogtij viert.
De Nederlanden hadden de wereld een alternatief gegeven voor absolutisme – en daarmee overigens ook een inspiratiebron voor de Amerikaanse Onafhankelijksoorlog. Maar helaas kon het geen weerstand bieden aan de lokroep van de philosophes; uiteindelijk heeft de Franse revolutie ook Nederland verzwolgen. Een feit dat wellicht vaak over het hoofd wordt gezien omdat de guillotine op Nederlandse bodem niet werd waargenomen; het Nederland van regenten kende immers weinig ancien régime meer om korte metten mee te maken.
Conservatieven en de eenheidsstaat
De eenzijdige bejubeling van de moderne staatsinrichting negeert de lessen die wij kunnen trekken uit onze eigen vaderlandse geschiedenis. Modern denken blijkt wederom – ook op het deelgebied van de politiek – een usurpator te zijn. De vaderlandse geschiedenis en de schatten aan politiek en staatrechtelijke denken die in haar besloten liggen, zijn geannexeerd en verworden tot dienstmaagd van de moderniteit. Met terugwerkende kracht heeft alles zo moeten zijn zoals het nu is, de moderne mens verdwaasd achterlatend met de vraag waarom deze vermeende lotsbestemming zich dan toch als zo problematisch manifesteert en zo unheimisch aanvoelt.
Van conservatieven mag – nee móet! – worden verwacht dat zij zich niet laten insluiten door het schrale moderne denken en haar monotone Verlichtingsvocabulaire. Dit vocabulaire teistert gelijk een Orwell’s newspeak het intellect van de conservatief. Afgesneden van andere bronnen kan de conservatief hoogstens nog reproduceren wat het moderne denken hem ingeeft. Spruyt’s constitutioneel patriottisme is daarvoor exemplarisch.
Constitutioneel patriottisme mag dan wellicht de uitdaging die immigratie en islam ons stellen overwinnen, maar wat zal er nog te vieren zijn nadat een dergelijke Pyrrusoverwinning is behaald? Het constitutioneel patriottisme is net zo abstract als de idealen van Franse revolutionairen. Wellicht daarom ook ontbreekt een nadere definitie van Spruyt, omdat een dergelijke abstractie zich niet laat vangen in concrete termen. Deze abstractie kan alleen maar uitmonden in een Jacobinistische toepassing ervan. Wanneer vage abstracties leidend worden in het verzet tegen het monster van de islam zullen hiermee de laatste bastions van verzet tegen eenheidsdenken worden opgeruimd en concrete vrijheden worden gesmoord door het kussen dat philosophes al enkele eeuwen op de Nederlandse vrijheidstraditie drukken. Door de gelijkschakering van alle vormen van religiositeit – inherent aan het in onze constitutie vastgelegde gelijkheidsdenken – zal bij een eventuele overwinning van constitutioneel patriottisme het christendom met eenzelfde gezwinde spoed uit het publieke domein (of ditmaal misschien zelfs tot achter de voordeur?) worden verwijderd als de islam. Geen wonder dat de christelijke partijen welke Spruyt oproept tot constitutioneel patriottisme daaraan nog geen gehoor hebben gegeven.
* Dit essay is eerder gepubliceerd op Bitterlemon




Goed stuk. Je weet duidelijk te verwoorden wat al tijden in mij sluimert. Het huidige conservatisme heeft zich vooralsnog onvoldoende ontworsteld van het discours en de prioriteiten van de moderniteit. Sowieso, het conservatisme van veel van onze ‘voormannen’ is wat mij betreft te veel geënt op het staatkundige opzicht, alle verdere wijsgerige uitspattingen ten spijt. Wat mist is een concrete visie op het gewone volksleven. Niet een visie die van bovenaf opgelegd zou moeten worden, maar een herinnering aan het erfgoed dat ons wezen kenmerkt en een leidraad voor hoe we dat erfgoed levend houden in de eeuwen die komen.
Ik ben benieuwd naar je verdere overpeinzingen m.b.t. een geworteld conservatisme.
Dat is een goed stukje tekst. Waarom zouden mensen, die uit een compleet andere omgeving komen, zich geroepen voelen trouw te zijn aan de staat en andere abstracties (zoals een rechtsstaat) die in de minder ontwikkelde delen van deze aarde (veel) minder relevant zijn?