Zonder last, zonder ruggespraak

Traditionele partijen - VVD en PvdA voorop - verkeren in een chronische crisis. De peilingen bieden voor deze partijen zelden tot nooit goed nieuws. De politici van deze partijen (zowel bestuurders als volksvertegenwoordigers) lijken vaak niet competent en niet over aansprekende ideeën beschikken. Dat draagt bij aan oprukkend cynisme over politiek. Het is echter niet de enige oorzaak. Ons democratisch bestel bevordert en beloont politiek nepotisme. Geen wonder dat politici weinig aansluiting bij burgers vinden.

In 2005 zorgde weblog GeenStijl nog voor hilariteit toen het mensen opriep lid te worden van D66 en vervolgens tegen het ‘Paasakkoord’ te stemmen, hetgeen op de val van het tweede kabinet-Balkenende had kunnen uitdraaien. Ongetwijfeld tot genoegen van het Haagse establishment bleek het een 1-april grap. Maar de oproep zelf en paniekreactie daarop toonde wel de broosheid van democratische experimenten van de kleinste regeringspartij aan. D66 nam de nieuwe leden onder de loep om lieden met “onzuivere” bedoelingen die met hun nieuw verworven stemrecht het congres hoopten de beïnvloeden, toegang te ontzeggen. Tot zover democratische experimenten in de stijl van D66.

De pogingen van D66 tonen aan hoe moeilijk het is voor een politieke partij om aansluiting te vinden bij burgers. Het is een aansluiting die zij wel nodig hebben om zich te verzekeren van een vaste machtsbasis en daarmee nieuwe ontwikkelingen te absorberen en in goede banen te leiden. Wanneer een te groot gedeelte van de kiezers namelijk op drift raakt, ontaardt democratie in ochlocratie: de heerschappij van een verwilderde meerderheid. Deze meerderheid kent geen grondrechten, kent geen checks and balances, hetgeen alleen maar kan uitdraaien op een ware tirannie.

Het is dus in het belang van iedere Nederlander dat de traditionele politieke partijen hun legitimiteit terugwinnen, al is het maar een fractie van wat ze ooit hadden. Dat zeg ik overigens niet uit enige symphatie voor deze partijen. Mijn bovenmatige interesse in politiek is een direct uitvloeisel van de opkomst van Pim Fortuyn. Sindsdien verafschuw ik de gevestigde partijen in hun doen en laten. Ik verkies alleen de geleidelijke hervorming boven de revolutie van de ochlocratie.

Partijen vormen de toegangspoort tot de daadwerkelijke politieke arena. Er is in dat opzicht geen ontkomen aan. Partijen zijn here to stay; ook al dromen sommige revolutionaire nieuwkomers van een andere situatie. Een nieuwe partij oprichten is veelal een hels karwei. De wortels van de ‘nieuwste’ grote partij, de SP, gaan immers ook al decennia terug. Wilders en Verdonk danken hun vliegende start – of ze dat nu graag toegeven of niet – aan de VVD. Het merendeel van de nieuwe partijen sterven een welhaast voortijdige dood, wat overigens zeker niet altijd spijtig is. Gevestigde politieke partijen blijven echter na de Fortuyn-revolte een gesloten kaste waar burgers zich niet bij thuis voelen en moeilijk grip op krijgen. De discrepantie tussen de voorkeur van (leden van) een partij en haar kiezers werd bij afgelopen verkiezingen pijnlijk duidelijk toen Verdonk ondanks haar tweede plek op de kieslijst toch beduidend meer stemmen binnenhaalde dan de door de VVD-leden gekozen lijsttrekker Rutte. Niet alleen de partijen zelf dragen de schuld voor die discrepantie. Het is ook ons politieke bestel zelf dat daar debet aan is.

Ik wil het hier nu eens niet hebben over de perverse grepen uit de belastingkas die gevestigde partijen doen en gelegaliseerd hebben middels de Wet subsidiëring politieke partijen en waarmee zij zichzelf een gigantische voorsprong geven op nieuwkomers. Of de landelijke steun die partijen hun gemeenteraadfracties geven in verkiezingstijd waarmee zij iedere bottom-up werking van onze democratie voortijdig smoren. Nee, ik wil het hebben over die ijzeren greep waarmee politieke verenigingen (de daadwerkelijke partijen) hun fracties in de Staten-Generaal vasthouden. Het belemmert volksvertegenwoordigers in hun vrijheid om het algemeen belang te dienen.

In de grondwet van 1848 van Thorbecke was in artikel 82 de opgenomen dat leden van de Tweede Kamer “stemmen, elk volgens eed en geweten, zonder last van of ruggespraak met hen, die benoemen”. Deze bepaling markeert de overgang van de Republiek der Verenigde Nederlanden naar de Nederlandse eenheidsstaat en de vestiging van een representatieve democratie. Niet langer zouden afgevaardigden van de provincies in overleg met met hun opdrachtgevers stemmen. De maatregel had ook te maken met efficiëntie; niet langer moesten leden van de Staten-Generaal heen en weer reizen in het Nederland van enkele honderden jaren geleden. Dat kon immers nogal lang duren, getuige ook het spreekwoordelijke “op zijn elf-en-dertigst”, een verwijzing naar de elf steden en dertien grietenijen in Friesland. Met zoveel opdrachtgevers is het immers moeilijk snel te communiceren.

Heden ten dage versterkt de ‘zonder last’-bepaling wel de afstand tussen parlementariër en burger (zoals dat hoort in een representatieve democratie) maar niet tussen parlementariër en partij. Als iets volgens mij het cliché van de kloof tussen burger en politiek treffend verbeeldt, is het deze bepaling en zijn moderne uitleg. In een interpellatiedebat begin 2008 in de Eerste Kamer dat de SP aanvroeg met minister Ter Horst werd deze moderne uitleg nog eens bevestigd.

In een brief aan een SP-Statenlid uit Gelderland zou minister Ter Horst de indruk hebben gewekt dat de interne regels van de SP ongrondwettelijk zijn. Die regels verplichten SP-Statenleden de lijstvolgorde te respecteren bij verkiezingen voor de Eerste Kamer, waaruit de affaire-Yildrim ontstond. Fractievoorzitter Kox van de SP-fractie in de Eerste Kamer vroeg de minister om uitleg. Minister Ter Horst onderschreef echter de stelling van Kox dat een lid van Provinciale-Staten formeel een vrij mandaat heeft maar partijen het recht hebben interne regels op de leggen aan hun leden om deze vrijheid te beperken. Volgens Kox hoort dat “omdat het plegen van overleg en het maken van afspraken in politieke partijen een wezenskenmerk is van de moderne democratie”.

Wellicht heeft senator Kox gelijk als hij stelt dat interne partijregels een wezenskenmerk zijn van onze moderne democratie. Maar is onze moderne democratie wel ware democratie?

Nu bestaan er vele verschillende vormen van democratie. Op verschillende plekken en in verschillende tijden. Maar in alle vormen, in alle definities, berust de hoogste macht in een democratie bij het volk – afgezien van de vraag wie precies tot het volk worden gerekend. De volkssoevereiniteit is weliswaar niet het enige element van een democratie (zeker niet van een goede democratie!) maar wel het meest doorslaggevende. Zou de Nederlandse moderne democratie de toets van volkssoevereiniteit doorstaan? Ik vrees van niet.

Voordat in 1879 de Antirevolutionaire Partij (ARP) werd opgericht waren er in het Nederlandse parlement geen partijen te vinden, hoogstens konden vage stromingen worden onderscheiden. Volgens de Noorse politicoloog Stein Rokkan zijn maatschappelijke scheidslijnen van wezenlijk belang voor het ontstaan van parijstelsels in democratieën. De ARP werd opgericht door Abraham Kuyper uit onvrede over de toenemende macht van liberalen; een bevestiging van de opvattingen van Rokkan. Dat meent ook Ruud Koole, wie – ondanks zijn politieke voorkeur – ik hier graag zou citeren uit zijn boek ‘Politieke partijen in Nederland’: “In het algemeen kan men zeggen dat partijen ontstaan als reactie op de overheersing van de politiek door personen of groeperingen waarin men zich niet kan herkennen, dan wel juist uit angst voor een mogelijk verlies aan invloed”. Wanneer we aannemen dat de volkssoevereiniteit een wezenlijk onderdeel dient uit te maken van de democratie kan ik niet anders concluderen dan dat menige partijvorming daar haaks op staat. Het gaat om machtsvorming, niet om het vertegenwoordigen van het gehele Nederlandse volk zoals onze grondwet in artikel 50 gebiedt. Het volk is geen soeverein, partijen lijken dat te zijn.

Wanneer ons parlement een pluriform geheel van partijtjes zou zijn was het nog niet eens zo’n probleem dat de macht bij partijen lag. De verschillende partijen zouden er baat bij hebben om met elkaar te wedijveren om de gunst van de kiezer. Op die manier zou de grote kloof tussen burger en politiek kunnen worden overbrugd, partijen hebben er dan immers baat bij om daadwerkelijk aansluiting te zoeken bij de kiezers. Probleem is alleen dat de wijze waarop onze hoogste bestuurlijke macht word gevormd een corrumperende invloed heeft op deze natuurlijke en gezonde spanning tussen partijen.

Onze bestuurlijke macht kiezen wij in Nederland niet direct. Zelfs een voorstel om te komen tot een gekozen burgemeester overleefde de Eerste Kamer enkele jaren geleden niet. Van het plan om burgers de spil in de gemeentelijke bestuurlijke macht laten kiezen, is sindsdien niets meer vernomen. Op landelijk niveau is het wellicht nog droeviger gesteld. Via een schimmig politiek steekspel dat zich vrijwel geheel achter de coulissen afspeelt – doorgaans de formatie genaamd – stellen partijen die gezamelijk in het parlement over een absolute meerderheid beschikken een kabinet samen. Voor politieke partijen is het uit het oogpunt van machtsvorming belangrijk om zich te profileren naar de kiezer. Maar met het oog op toekomstige samenwerkingsverbanden als bestuurlijke macht behandelen partijen elkaar met fluwelen handschoenen. Een al te harde aanpak zou immers een uitsluiting van deelname aan de bestuurlijke macht kunnen betekenen, ondanks het grote aantal zetels dat de partij heeft veroverd. Ziehier de oorzaak van dat grote grijze midden in de politiek, de oorzaak dat partijen ondanks hun cosmetische verschillen toch zoveel op elkaar lijken.

De macht die partijen op bovenstaande manier hebben verworven heeft een vernietigend effect op ons landsbestuur. Onbekende volksvertegenwoordigers komen het parlement op de slippen van de lijsttrekker binnen zonder ook maar enigzins zelfstandig stemmen te hebben vergaard. Bestuurders komen niet op basis van ervaring of verkiezing op invloedrijke posities maar doormiddel van een politiek-incestueus spel waar geen democratische controle op is. Wie zou het in dat opzicht werkelijk vreemd vinden dat burgers zich niet thuisvoelen in de politiek, dat er sprake is van ‘een gevoel van onbehagen’?

Zelfs de meest verstokte aanhangers van kapitalisme en vrije marktwerking noodzakelijke begrenzing inzien van de vrije markt: kartelvorming dient te worden tegengegaan. Hoe dat dan moet gebeuren blijft overigens een twistpunt. In ons democratische bestel daarentegen is kartelvorming aan de orde van de dag, maar geen haan die er naar kraait. Pim Fortuyn muntte voor zover ik weet de term ‘partitocratie’, de aanduiding voor een systeem waarin partijen, losgezongen van het volk over datzelfde volk regeren. Maar helaas, Fortuyn is vermoord en zijn partij heeft ook al het loodje gelegd. Sommigen zien Geert Wilders als zijn erfgenaam, maar diens gedisciplineerde fractie doet in dit opzicht anders vermoeden. In gebruik van vocabulaire lijkt Verdonk soms nog het meest erfgenaam van Fortuyn omdat zij niet een partij maar een beweging wil beginnen. Maar haar eerste aanzetten hiertoe zijn óf nog te prematuur om op waarde te schatten óf te simplistisch revolutionair om überhaupt geleidelijke hervorming van het partijstelsel te kunnen garanderen.

De bepaling dat leden van de Staten-Generaal – evenals hun evenknieën op lokaal niveau – moeten handelen zonder last en ruggespraak zou weer in ere moeten worden hersteld. Het gaat hierbij niet alleen om achterhaalde motieven betreffende de efficiëntie van het landsbestuur (“op z’n elf-en-dertigste”) en ook niet om het representatieve element in onze democratie te behouden die een afstand creëert tussen kiezer en gekozene. Het gaat erom dat er een gezonde afstand tussen partij en volksvertegenwoordiger ontstaat. Natuurlijk moeten volksvertegenwoordigers zich kunnen verenigen op basis van gedeelde principes; maar deze verenigingen moeten niet langer uitgroeien tot banenmachines die het landsbestuur onder elkaar rouleren. Interne partijregels die anders beogen te doen zouden moeten worden verboden.

Momenteel is er alleen de mogelijkheid tot afsplitsing, tot een pijnlijk afscheid van de moederpartij waarbij de afgescheiden volksvertegenwoordiger de helse taak op zich moet nemen om een nieuwe partij te vormen zonder daarbij te kunnen ontsnappen aan het corrumperende partijstelsel met haar partijdiscipline. Wanneer partijen en apparatsjiks op afstand worden gehouden door grondwettelijke bepalingen aan te scherpen zal onze democratie weer net ietsje meer op een échte democratie lijken.

Als we werkelijk menen dat het alleen aan de spelers en niet aan het spel ligt, zijn we de titel democratie niet eens waard. Een ware vriend is immers een kritische vriend. Dat geldt ook voor vrienden van de democratie.

Reageer